Het begin van De Tweede Wereldoorlog
Oorzaken van de oorlog in Europa
De strijd om de Europese Hegemonie 1866 - 1918
Na de totstandkoming van het Duitse Keizerrijk in 1871 nam de Pruisisch-Duitse macht snel toe, ondersteund door reeds aan de gang zijnde bevolkingsgroei en industriële ontwikkeling. Het nog niet geheel verenigde Duitsland had de Tweede Duits-Deense Oorlog (1864) en de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866) gewonnen, en de snelle nederlaag van Frankrijk in de Frans-Duitse Oorlog, waarbij Duitsland de Elzas en Lotharingen veroverde, maakte duidelijk dat de machtsverhoudingen in Europa grondig gewijzigd waren. Bovendien was er een ernstig territoriaal geschil ontstaan met Frankrijk. Door een onhandige Duitse buitenlandse politiek onder Wilhelm II ontstonden ook spanningen tussen het Duitse Keizerrijk en Groot-Brittannië en Rusland. In het eerste geval omdat Duitsland zich steeds meer ontwikkelde tot een maritieme rivaal, in het tweede geval door Duitse steun aan Oostenrijk-Hongarije in de Balkan. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) toonde Duitsland aan dat het sterker was dan Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en hun koloniale hulptroepen bij elkaar, omdat in de eerste drie jaar de westelijke mogendheden maar nauwelijks stand konden houden op hun eigen terrein en Duitsland het Russische Keizerrijk versloeg in bondgenootschap met de Oostenrijkers. In de herfst van 1918 werd Duitsland aan het westelijk front alsnog gedwongen een wapenstilstand te tekenen met de Fransen, de Britten en de te hulp geschoten Amerikanen. Dit leidde tot een dolkstootlegende en de bijbehorende wraakzucht. Het Duitse keizerlijke regime kwam ten val (evenals het Oostenrijkse) en uit de Vrede van Versailles (1919) kwam geen stabiele situatie voort. Er werden enorme herstelbetalingen afgedwongen en enkele territoriale concessies: Elzas en Lotharingen moesten terug naar Frankrijk; diverse andere gebieden in het oosten werden aan het sinds 1793 weer onafhankelijke Polen afgestaan. Oost-Pruisen raakte hierdoor geïsoleerd van de rest van Duitsland door de de 'corridor van Danzig', waar de eerste schoten van de Tweede Wereldoorlog gelost zouden worden. De kern van het probleem was niet verholpen: de potentiële Duitse hegemonie in Europa. De Franse maarschalk Foch omschreef het Verdrag van Versailles dan ook als 'geen vrede, maar een wapenstilstand van 20 jaar'.
Duitse instabiliteit 1918 - 1929

Door het Duitse Rijk afgestane gebieden na de Eerste Wereldoorlog.
Het politiek instabiele Duitsland van na de wapenstilstand (1918) was ten prooi gevallen aan chaos en armoede, waarbij links en rechts streden om de macht. Deze strijd zou uiteindelijk worden beslecht in het voordeel van het extreem rechtse en totalitaire Nationaal-Socialisme. De buitenlandse politiek van deze dictatuur zou Europa nogmaals in oorlog storten.
Het Vrede van Versailles (1919) verplichtte Duitsland niet alleen tot territoriale en financiële offers. Duitsland werd ook een drastische beperking van haar militaire macht opgelegd, alsmede legering van geallieerde troepen in het Rijnland. De vernedering was een bron voor Duits ressentiment en zou de uiterst rechtse nationalistische partijen in de kaart spelen. Ook de opdeling van Duits grondgebied zonder rekening te houden met de bevolkingssamenstelling zou aanleiding geven voor internationale spanningen.
In het verarmde en hongerige Rusland van 1917 braken revoluties uit. De hierop volgende Communistische machtsovername leidde in heel Europa tot ernstige onlusten. Europa zou na 1917 veelvuldig in de greep komen van de angst voor het “Communistisch gevaar” en deze angst zou de opkomst van het Fascisme in Italië en het Nationaal-Socialisme in Duitsland een enorme impuls geven.
In november 1918 vond in Duitsland een door de Russische Revolutie geïnspireerde linkse Novemberrevolutie plaats, die de kop werd ingedrukt door uit gedemobiliseerde soldaten samengestelde vrijkorpsen. De extreem rechtse vrijkorpsen werden deels gedreven door de theorie dat communisten, socialisten, republikeinen en Joden het land zouden hebben verraden en dat Duitsland daarom de oorlog had verloren (de zogenaamde dolkstootlegende). De naoorlogse economische crisis verergerde nadat Duitsland in 1923 in gebreke bleef bij de nakoming van de haar opgelegde herstelverplichtingen. Franse en Belgische troepen bezetten hierop het Ruhrgebied waarna door de Duitse staat aangemoedigde stakingen uitbraken. Om de stakingskas te vullen draaide de geldpers en hyperinflatie was het gevolg. De economische chaos ontketende in het hele land onlusten.
Adolf Hitler en het nationaal-socialisme
Een extreem-rechtse partij, de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij onder leiding van Adolf Hitler zou deze onlusten aangrijpen om in 1923 in Beieren een greep naar de macht te doen die later bekend zou staan als de Bierkellerputsch. De Bierkellerputsch en de slachtoffers aan de kant van de nazi's (de Blutfahne met het bloed van een doodgeschoten nazi werd een belangrijke relikwie) werd onder Hitlers latere bewind prominent herdacht op 9 november. De couppoging mislukte en een equivalent van Mussolini's Mars op Rome bleef uit. Adolf Hitler, sinds kort de leider van de NSDAP, werd tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld waarvan hij uiteindelijk 1 jaar moest uitzitten. Tijdens deze detentie dicteerde hij zijn boek Mein Kampf dat later een centrale plaats in de nazi-propaganda en -literatuur zou innemen.
Het nationaal-socialisme vond in de Duitse poel van armoede, angst, chaos en onvrede een vruchtbare voedingsbodem. De essentie van deze fascistische stroming was dat de sterkere het recht heeft de zwakkere te overheersen. Dit verklaart zowel het radicaal nationalistische, antisemitische, militaristische, antidemocratische en anticommunistische karakter van deze beweging als de ideologisch geïnspireerde vernietigingsoorlog die hieruit voortvloeide. Hitler trad in 1919 toe tot de NSDAP (toen nog DAP geheten). Deze fanaticus bleek te beschikken over een opmerkelijk redenaarstalent en politiek instinct. Deze twee eigenschappen, opgeteld bij zijn dominerende drang naar macht en gebrek aan moreel besef, brachten hem en zijn partij de overheersing (en de ondergang).
De depressie die ontstond na 1929 deed het ledental van de NSDAP groeien tot bijna 14.000.000 in juli 1932. In januari 1933 trad Hitler als Rijkskanselier aan met een regering waarin de Nationaal-Socialisten de minderheid vormden. In deze positie was hij zeer snel in staat alle macht naar zich toe te trekken en de parlementaire democratie buiten spel te zetten. Vanaf dat moment zou de Duitse politiek enkel en alleen door hem bepaald worden.
Het Derde Rijk startte vrijwel direct met herbewapening. De omvang van de Reichswehr was door de bepalingen van Versailles beperkt tot 100.000 man. Het had geen tanks, geen luchtmacht en nauwelijks schepen. Zes jaar later, bij het uitbreken van de vijandelijkheden, beschikte de Wehrmacht, de Luftwaffe en de Kriegsmarine over 3,5 miljoen soldaten, 9.000 kanonnen, 2.500 tanks, 2.300 vliegtuigen, 57 onderzeeërs en 45 oppervlakteschepen.

Duitse Buitenlandse politiek 1933 - 1939
De buitenlandse politiek van de Nationaal-Socialisten leidde tot een verhoogde kans op (lokale) oorlog omdat Hitler streefde naar gebiedsuitbreiding in Oost-Europa, ten koste van de Slavische volkeren. Hiertoe moest Polen worden vernietigd (of opgedeeld) en Rusland gebroken. De spanningen met het Westen die hierdoor werden veroorzaakt waren slechts een afgeleide. Kenmerkend voor de periode 1933 – 1939 waren de Duitse successen zonder dat er oorlog uitbrak. De Westerse democratische landen zouden te lang pogen Hitler in te tomen met diplomatieke middelen waarbij de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog hen zeker parten hebben gespeeld; degenen die in de jaren dertig leidinggevende posities bekleedden, hadden immers vaak zelf nog in de loopgraven gezeten. De toegeeflijkheid kwam echter ook voort uit een schuldgevoel aan de kant van Groot-Brittannië, Duitsland was na de oorlog zo onrechtvaardig behandeld dat vele eisen van Hitler als legitiem werden gezien. Zo was de wens van Hitler om alle Duitsers in één rijk te verenigen volstrekt in lijn met het Verdrag van Versailles, dit verdrag was echter in het nadeel van Duitsland beslecht op een aantal gebieden. Zo kwam in 1935 het Saarland "Heim ins Reich" en werd in 1936 het Rijnland weer door Duitse troepen bezet na jaren van Franse bezetting. In 1936 ontstond tevens de as Rome-Berlijn, deze alliantie zou met het staalpact van 1939 worden verstevigd. Vervolgens volgde de annexatie van Oostenrijk op 13 maart 1938 en die van Tsjecho-Slowakije op 15 maart 1939. Deze bezetting van Tsjecho-Slowakije markeert het eindpunt van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om met vreedzame middelen de veroveringszucht van Nazi-Duitsland te beteugelen, mede omdat duidelijk werd dat Hitler meer wilde dan alleen een verenigd Duits rijk.
1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen. Frankrijk en Engeland beseffen dat Hitler meer wil dan enkel Duitstalige gebieden en verklaren Duitsland de oorlog.
Dit is het begin van De Tweede Wereldoorlog.(1 september 1939)
Bron: Wikepedia
Aangepast door: Gunner Dreesen