Hitlers politiek testament (29-04-1945)
Mijn politiek testament
Sinds ik in 1914 als vrijwilliger mijn bescheiden bijdrage aan de eerste, het Rijk opgedrongen wereldoorlog leverde, zijn meer dan dertig jaar voorbij gegaan.
In deze drie decennia hebben alleen de liefde voor en trouw aan mijn volk mij geleid in al mijn denken, handelen en leven. Zij gaven mij de kracht om de moeilijkste beslissingen te nemen die nooit eerder aan een sterveling waren voorgelegd. Ik heb mijn tijd, mijn levenskracht en mijn gezondheid in deze drie decennia opgebruikt.
Het is niet waar dat ik of iemand anders in Duitsland in 1939 de oorlog heeft gewild. Hij werd uitsluitend gewenst en begonnen door die internationale staatslieden die van Joodse herkomst waren of voor Joodse belangen werkten. Ik heb zoveel voorstellen gedaan voor de beperking en beheersing van bewapening die de toekomst niet voor eeuwig kan blijven ontkennen om de verantwoordelijkheid voor deze oorlog bij mij te kunnen leggen. Verder heb ik nooit gewild dat na de eerste onzalige Wereldoorlog een tweede tegen Engeland of zelfs tegen Amerika zou ontstaan. Er zullen eeuwen voorbijgaan maar uit de puinhopen van onze steden en kunstwerken zal de haat tegen het volk dat uiteindelijk verantwoordelijk is en aan wie we dit alles te danken hebben, weer opbloeien: het internationale jodendom en zijn helpers!
Ik heb nog drie dagen voor het uitbreken van de Duits-Poolse oorlog de Britse ambassadeur in Berlijn een oplossing voor het Duits-Poolse probleem voorgesteld - internationaal toezicht, vergelijkbaar met die voor het Saargebied. Ook dit aanbod kan niet worden ontkend. Het werd alleen maar verworpen omdat de meest invloedrijke kringen van de Britse politiek oorlog wilden, deels omdat ze hoopten op zakelijk voordeel, deels gedreven door propaganda van het internationale jodendom.
Ik heb er ook geen twijfel over laten bestaan dat als de volkereren van Europa alleen als aandeelhouders van de internationale samenzweerders van geld en financiering worden beschouwd, dat dan het enige volk dat schuldig is aan deze moordende strijd zich er ook niet voor dient te verantwoorden: het jodendom! Ik heb niemand erover in twijfel gelaten dat deze keer niet alleen miljoenen kinderen van de Europeanen van Arische volkeren zouden verhongeren, dat niet alleen volwassen mannen zouden sneuvelen en dat de honderdduizenden vrouwen en kinderen in de steden verbrand en gebombardeerd zouden worden zonder dat de eigenlijke schuldigen, zelfs met humane middelen, voor hun schuld zouden moeten boeten.
Na een zes jaar durende strijd die ooit, ondanks alle tegenspoed, de geschiedenis in zal gaan als de meest glorieuze en dapperste uiting van de levenswil van een volk, kan ik de stad niet verlaten die de hoofdstad van dit land is. Omdat de strijdkrachten te gering zijn om de vijandelijke aanval op deze plaats nog langer te weerstaan, ook al vermindert de werkelijke tegenstand echter steeds meer door zowel misleide als door karakterloze figuren, kan ik mijn lot verbinden met dat, dat miljoenen anderen ook op zich hebben genomen waarbij ik in deze stad blijf. Bovendien wil ik niet in de handen van de vijand vallen die voor het vermaak van hun met haat gevoerde massa’s een nieuw door Joden georganiseerd schouwspel eisen.
Ik heb daarom besloten in Berlijn te blijven en daar vrijwillig voor het ogenblik van de dood te kiezen als ik denk dat de positie van Führer en kanselier onhoudbaar is. Ik sterf met een vredig hart in het besef van de onmetelijke daden en prestaties van onze soldaten aan het front, onze vrouwen thuis, de prestaties van onze boeren en arbeiders en van de bijdrage, uniek in de geschiedenis, van onze jeugd die mijn naam draagt.
Dat ik hen allen dank uit het diepst van mijn hart, is net zo vanzelfsprekend als mijn wens dat zij de strijd onder welke omstandigheden dan ook niet op zullen geven maar deze, net als altijd, tegen de vijanden van het vaderland voortzetten, trouw aan de principes van de grote Clausewitz. Van de opoffering van onze soldaten en van mijn verbondenheid met hen tot in de dood zal in de Duitse geschiedenis ooit weer het zaad ontkiemen van de glorieuze wedergeboorte van de nationaalsocialistische beweging en daarmee van de verwerkelijking van een echte volksgemeenschap.
Veel van de dapperste mannen en vrouwen hebben het besluit genomen om hun leven tot het laatste moment met het mijne te verbinden. Ik heb hen verzocht, en uiteindelijk bevolen, dat niet te doen maar aan de verdere strijd van de natie deel te nemen. Als Führer van de landmacht, de marine en de luchtmacht vraag ik, met alle middelen het verzet van onze soldaten in nationaalsocialistische zin te versterken met bijzondere nadruk op het feit dat ook ikzelf, als stichter en schepper van deze beweging, de voorkeur geef aan de dood boven een lafhartige vlucht of zelfs capitulatie.
Mag het ooit tot de erecode van de Duitse officier behoren - zoals dat in onze marine al het geval is - dat de overgave van een district of stad ondenkbaar is en dat boven alles de aanvoerders een lichtend voorbeeld moeten zijn van trouwe plichtsnavolging tot in de dood.
Tweede deel van het politiek testament.
Ik zet nog voor mijn dood de voormalige rijksmaarschalk Hermann Göring uit de partij en ontneem hem alle rechten die voortkomen uit de verordening van 29 juni 1941 en uit mijn Rijksdagverklaring van 1 september 1939. Ik benoem in zijn plaats grootadmiraal Dönitz tot rijkspresident en opperbevelhebber van het leger.
Ik zet nog voor mijn dood de voormalige Reichsführer-SS en minister van Binnenlandse Zaken Heinrich Himmler uit de partij en uit al zijn ambten. Ik benoem in zijn plaats de gouwleider Karl Hanke tot Reichsführer-SS en hoofd van de Duitse politie en gouwleider Paul Giesler tot rijksminister van Binnenlandse Zaken.
Göring en Himmler hebben door geheime onderhandelingen met de vijand, die ze zonder mijn weten en tegen mijn wil hebben gevoerd, en door hun poging, tegen de wet, de macht in de staat naar zich toe te trekken, het land en het hele volk onafzienbare schade toegebracht, nog afgezien van de trouweloosheid ten aanzien van mijn persoon.
Om het Duitse volk een regering te geven die is samengesteld uit eerbare mannen, die het tot haar plicht rekenen de oorlog met alle middelen voort te zetten, benoem ik als Führer van de natie de volgende leden van het nieuwe kabinet:
Rijkspresident: Dönitz
Rijkskanselier: Dr. Goebbels
Minister van de Partij: Bormann
Minister van Buitenlandse Zaken: Seyss-Inquart
Minister van Binnenlandse Zaken: gouwleider Giesler
Minister van Oorlog: Dönitz
Opperbevelhebber van het Leger: Schörner
Opperbevelhebber van de Marine: Dönitz
Opperbevelhebber van de Luchtmacht: Greim
Reichsführer-SS en Hoofd van de Duitse Politie: gouwleider Hanke
Economie: Funk Landbouw: Backe
Justitie: Thierack
Cultuur: Dr. Scheel
Propaganda: Dr. Naumann
Financiën: Scherwin-Crossigk
Arbeid: Dr. Hupfauer
Legeruitrusting: Saur
Leider van het Duitse Arbeidsfront en lid van het rijkskabinet: rijksminister Dr. Ley
Hoewel een aantal van deze mannen, zoals Martin Bormann, Dr. Goebbels enz. met hun vrouwen zich uit vrije wil bij mij heeft gevoegd en onder geen beding de hoofdstad wil verlaten maar bereid is hier met mij ten onder te gaan, moet ik u toch vragen aan mijn eis te voldoen en in dit geval het belang van de natie boven uw gevoel te laten gaan. Zij zullen mij door hun werk en hun trouw in de dood net zo als kameraden na staan en ik hoop dat mijn geest altijd bij hen zal zijn en hen zal leiden. Laat hen hard zijn maar nooit onredelijk, mogen zij bovenal nooit angst als raadgever bij hun handelen hebben en de eer van de natie boven alles stellen wat er op aarde bestaat. Mogen ze zich er tenslotte van bewust zijn dat onze taak, het opbouwen van een nationaalsocialistische staat, het werk van de komende eeuwen is dat een ieder verplicht altijd het gemeenschappelijke belang te dienen en zijn eigen belangen daaraan ondergeschikt te maken. Van alle Duitsers, van alle nationaalsocialisten, mannen en vrouwen en alle soldaten van het leger verlang ik dat zij de nieuwe regering en de nieuwe president trouw en gehoorzaam zijn tot in de dood.
Boven alles verplicht ik de leiding van het land en haar dienaren om de rassenwetten zorgvuldig na te leven en tot het onbarmhartig bieden van weerstand aan hen die de gehele wereldbevolking vergiftigen, het internationale jodendom.
Verklaard te Berlijn, 29 april 1945, 4.00 uur.
|
Adolf Hitler |
|
|
|
|
|
Als getuigen: |
|
|
Dr. Joseph Goebbels |
Wilhelm Burgdorf |
|
Martin Bormann |
Hans Krebs |